Niet goed weten wie je bent of juist wisselingen in hoe je zelf ervaart staat vaak centraal in de problematiek. Dat uit zich dan op de lange duur ook in het vastlopen in je eigen ontwikkeling o.a. doordat het moeilijk om een carrière op te bouwen. In de wisseling van je eigen zelfbeeld komt het ook vaak tot een wisseling van je doelen in je leven. Een opeenvolging van vaak relatief kortdurende banen is een vaak voorkomend fenomeen. Daarnaast zijn er meestal ook problemen in je relaties tot anderen.

Vaak is er sprake van intense en negatieve emoties, zoals angst, paniek, wantrouwen, woede of afgunst. Patiënten hebben veelal grote moeite om op adequate wijze hun emoties te reguleren. Dit kan leiden tot problemen op gedragsniveau, zoals:

  • sterke neiging om zich terug te trekken,
  • zich overmatig aan te passen aan anderen of juist terugkerende patronen van conflicten,
  • impulsiviteit en woede uitbarstingen
  • zelfbeschadiging of suïcidaliteit.

Naast deze intense emoties kunnen mensen ook lijden onder gevoelens van leegte en zinloosheid.

De klachten van de persoonlijkheidsstoornis kunnen dermate ernstig zijn dat patiënten niet adequaat om kunnen gaan met de gebruikelijke uitdagingen en normale wisselvalligheden van het leven, waardoor problemen op het gebied van werk, studie, intieme relaties, vriendschappen en vrije tijdsbesteding kunnen ontstaan. Persoonlijkheidsstoornissen zijn er in veel variaties, evenals de wijze en ernst waarmee ze tot uiting komen, en het beloop. Er is niet één stereotype beeld.

Het leven met een persoonlijkheidsstoornis gaat vaak gepaard met een grote lijdensdruk bij de patiënt zelf én bij diens directe naaste(n).

Vaak zou deze patiënt behendiger willen zijn in het sociale contact, zaken beter kunnen verdragen, lichtvoetiger in het leven staan. Maar door de ontwikkelde patronen lukt dit niet of slechts in beperkte mate.

Een persoonlijkheidsstoornis wordt in de literatuur omschreven als een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen van een individu (persoonlijkheidstrekken) dat duidelijk afwijkt van de normen en verwachtingen die binnen de cultuur van betrokkenen gebruikelijk zijn.

  • Mensen met een persoonlijkheidsstoornis hebben problemen op het gebied van cognities, emoties, relaties en vertonen geremdheid of impulsiviteit.
  • Het patroon is inflexibel, hardnekkig en stabiel over een breed scala aan persoonlijke en sociale situaties, vaak zichtbaar vanaf de adolescentie.
  • Het veroorzaakt significante lijdensdruk en/of beperkingen in persoonlijk en maatschappelijk functioneren, inclusief relaties, sociale contacten, studie en werk.

Er is slechts sprake van een persoonlijkheidsstoornis wanneer deze persoonlijkheidstrekken inflexibel en maladaptief zijn, significant lijdensdruk of disfunctioneren veroorzaken en niet beter kunnen worden toegeschreven aan een andere psychische stoornis, een somatische oorzaak of het gebruik van middelen. Zonder evidente lijdensdruk of disfunctioneren spreken we niet van een (persoonlijkheids)stoornis.

Wanneer iemand voldoet aan de algemene kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis, wordt gekeken of een specifiek type persoonlijkheidsstoornis geclassificeerd kan worden. In het algemeen wordt er nu uitgegaan van 10 specifieke persoonlijkheidsstoornissen, onderverdeeld in 3 clusters:

1. Cluster A persoonlijkheidsstoornissen (excentrieke cluster)

  • Paranoïde-persoonlijkheidsstoornis: een patroon van wantrouwen en achterdocht waardoor de motieven van anderen als kwaadwillend worden geïnterpreteerd.
  • Schizoïde-persoonlijkheidsstoornis: een patroon van afstandelijkheid in sociale relaties en een beperkt scala van emotionele expressies.
  • Schizotypische-persoonlijkheidsstoornis: een patroon van ongemak in intieme relaties met vervormingen in het denken en waarnemen en met excentriek gedrag.

 2. Cluster B persoonlijkheidsstoornissen (wispelturige cluster)

  • Antisociale-persoonlijkheidsstoornis: een patroon van gebrek aan respect voor de rechten van anderen, criminaliteit, impulsiviteit en onvermogen daarvan te leren.
  • Borderline-persoonlijkheidsstoornis: een patroon van instabiliteit in interpersoonlijke relaties, zelfbeeld en emoties, en impulsief gedrag.
  • Histrionische-persoonlijkheidsstoornis: een patroon van excessieve emotionaliteit en aandacht vragend gedrag.
  • Narcistische-persoonlijkheidsstoornis: een patroon van grandiositeit, behoefte aan bewondering en een gebrek aan empathie.

 3. Cluster C persoonlijkheidsstoornissen (angstige cluster)

  • Vermijdende-persoonlijkheidsstoornis: een patroon van sociale geremdheid, gevoelens van tekortschieten en overgevoeligheid voor een negatief oordeel.
  • Afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis: een patroon van onderdanig en aanklampend gedrag dat samenhangt met een overmatige behoefte om verzorgd te worden.
  • Dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis: een patroon van gepreoccupeerd bezig zijn met ordelijkheid, perfectionisme en controle.

Maar naast deze 10 omschreven persoonlijkheidsstoornissen worden twee extra categorieën onderscheiden: de ‘andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis’ en de ‘ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis’. De eerste categorie is voor situaties waarin iemand wel voldoet aan de algemene DSM-criteria voor een persoonlijkheidsstoornis, maar niet (volledig) aan de criteria van een van de 10 gespecificeerde stoornissen. De tweede categorie is bedoeld voor het geval dat er nog niet voldoende informatie is om een specifieke persoonlijkheidsstoornissen bij iemand vast te kunnen stellen.

2.2 Hoe vaak komt een persoonlijkheidsstoornis voor?

Betrouwbare cijfers over het voorkomen van persoonlijkheids-stoornissen zijn beperkt beschikbaar. Onderzoek daarnaar is schaars en resultaten slecht generaliseerbaar door tal van methodologische beperkingen.

Onderstaande punten geven een globale schatting van het aantal mensen met een persoonlijkheidsstoornis.

  • Geschat wordt dat in Nederland 1 op de 10 personen in de algehele bevolking voldoet aan de criteria van een persoonlijkheidsstoornis, ook bij jongeren en ouderen.
  • Een aanzienlijk deel van mensen die voldoen aan de criteria van een persoonlijkheidsstoornis komt niet in beeld bij de ggz. Dit hangt samen met de aard van de persoonlijkheidsproblematiek.
  • Van de patiënten die zijn aangemeld bij de ggz voldoet naar schatting de helft (20 tot 80%) aan de diagnostische criteria van een persoonlijkheidsstoornis. Zij zoeken hulp voor zeer uiteenlopende klachten en problemen en hebben op grond daarvan vaak ook een andere diagnose of classificatie.
  • Patiënten met een borderline of afhankelijke persoonlijkheidsstoornis zijn hierbij in de ggz ruim vertegenwoordigd, gevolgd door de narcistische, histrionische, vermijdende of schizotypische persoonlijkheidsstoornis. De prevalentie van de paranoïde, antisociale, en dwangmatige persoonlijkheidsstoornis is in de ggz maar weinig hoger dan in de algemene bevolking, terwijl de prevalentie van de schizoïde persoonlijkheidsstoornis in de ggz zelfs lager is.
  • De meest gestelde classificatie van een persoonlijkheidsstoornis (50% van de doelgroep) is de ‘ongespecificeerde’ of ‘andere gespecificeerde’ persoonlijkheidsstoornis. Hierachter gaat een breed palet van persoonlijkheidsproblematiek schuil.

Mensen melden zich met uiteenlopende klachten in de ggz. Bij naar schatting 20 tot 80% van deze mensen blijkt bij nader onderzoek (tevens) sprake te zijn van een persoonlijkheidsstoornis. Mensen met een persoonlijkheidsstoornis voldoen vaak aan de classificatie criteria voor een of meer andere psychische stoornissen zoals een angststoornis, een depressie, verslaving, ADHD, PTSS of een eetstoornis. Daarnaast komen lichamelijke klachten vaak voor en is er een aanzienlijk kortere levensverwachting.

Verdere info